Wednesday, December 28, 2005

Voorwoord van Henk Maaskant

MIJNHEER PLANNEMAN.

Het zal het najaar 1986 geweest zijn toen ik ergens in Rotterdam een pilsje zat te drinken. Als ik het me goed herinner was het bij de Oude Haven. Ik werd bij deze aangename bezigheid gestoord door een warrig ogende veertiger met een dromerige blik, die me een felgekleurd, levensgroot (A3) stuk drukwerk in de handen drukte. Aanvankelijk vroeg ik me af of het Leger des Heils soms in de “restyling”gegaan was, maar het bleek zich in dit geval te handelen om iets onhandelbaar cultureels, NIEUWE WEELDE geheten. De vormgevers van het tijdschrift hadden met veel “overlay” en ïnkopiëren de ernst van het redactionele standpunt verdoezeld. Uit een zekere nieuwsgierigheid kocht ik het blad. Thuisgekomen bladerde ik het wat door. Gebeurt er dan toch echt iets in Rotterdam, vroeg ik me af. Volgens de bijgesloten maandagenda wel. Ik heb de maandagenda op mijn WC-deur geplakt en vergat het blad weer. Het paste niet in m`n boekenkast dus maandenlang struikelde ik over dat ding op de meest onverwachte plekken. Op een regenachtige zondagmiddag heb ik me aan de puzzel gewaagd. Iets nieuws, een PROZAGRAM van een zekere Leon E. Thalma. Het ding was hondsmoeilijk maar wel leuk; de samensteller bezat in ieder geval een levendige fantasie. Toen ik het blad wat verder doorbladerde zag ik de naam Leon E Thalma weer terug, ditmaal onder een artikel dat WEERGALM VAN DE WAKE heette. Het handelde zich om het boek FINNEGANS WAKE van James Joyce, een volgens mij totaal onleesbaar boek dat er slechts toe dient om taalgeleerden aan stof voor dissertaties te helpen. Ik begreep weinig van het kennelijk bevlogen proza van de heer Thalma, maar het boeide wel en ik heb het artikel ademloos uitgelezen. Hij beleeft kennelijk een hoop plezier aan zijn eigen hersenspinsels, dacht ik nog.

Maanden later bevond ik mij bij cafë Timmer aan de Oude Binnenweg toen onze colporteur weer binnenkwam en aan iedereen de NIEUWE WEELDE uit begon te delen. Er bleek inmiddels een nieuw nummer uit te zijn en ik zag de meeste stamgasten meesmuilend hun portemonnaie trekken om het toch maar te kopen. Ook ik had weer een exemplaar in handen en toen onze colporteur om geld kwam bood ik hem een pilsje aan en begon hem wat uit te vragen over het tijdschrift. Hij vertelde dat hij Theo Lalleman heette en begon vol enthousiasme te vertellen over alle plannen die hij had om het blad nog mooier te maken. Ook begon hij me uit te vragen of ik ook ooit eens wat geschreven had, en zo ja, zou hij wel zorgen dat het in de volgende NIEUWE WEELDE kwam. Ik hield de boot af door te zeggen dat ik niet zo idealistich aangelegd was en het liefst dik betaald werd.Hierop volgde een heel betoog over het NIET BIJ BROOD ALLEEN in het leven en over de wankele financiële situatie van de stichting. Ik was zo geroerd door de kennelijke oprechtheid van zijn woorden dat ik hem nog maar een pilsje aanbood en een extra nummer van zijn tijdschrift kocht om aan een jarige vriend te cadeau te doen. Het pilsje verdween met veel animo in zijn keelgat en ik vroeg hem wie Leon E. Thalma eigenlijk was, de man die het aandurfde om Joyce te vertalen. Hij glimlachte breed en zei dat hij dat zelf was en dat hij hiervoor een pseudoniem gebruikte omdat de naam Lalleman meer geschikt was voor een serie kroegverhalen. “Schrijf je wel meer”, vroeg ik hem. Onmiddelijk haalde hij een klein wit boekje uit z`n jaszak. “Nu je het zegt , ik heb net in eigen beheer een vriendenboekje uitgegeven, en er staan ook wat gedichten van me in. Het ligt bij van Gennep te koop voor twaalvenhalve piek,maar omdat je me een pilsje gegeven hebt mag je dit exemplaar voor een tientje hebben, ik signeer het dan gelijk voor je. Weerloos haalde ik een tientje tevoorschijn waarop hij direct naar buiten liep om even later met een zak gegrilde kippepootjes terug te komen. Hij bood me er direct een aan en bestelde nog twee pils.”Ik ben blij dat je dat boekje kocht, verzuchtte hij,ik heb vandaag nog niet gegeten en het geld voor de tijdschriften is voor de stichting”.”Hoe heet je eigenlijk?” Toen ik hem vertelde dat ik Henk heette pakte hij het witte boekje dat TIJDLOZE MOMENTEN als titel had, en begon op het titelblad de datum en zijn handtekening neer te pennen. Daaronder schreef hij:”voor Henk. Als paden elkaar kruisen zijn wegen onbelangrijk”. Sindsdien loop ik Theo regelmatig tegen het lijf, waarbij hij iedere keer honderduit vertelde over de allernieuwste plannen. Als het aan Theo lag werd Rotterdam de nieuwe culturele hoofdstad van Europa, leek het wel.

In 1989 was ik hem plots een jaar kwijt. Zijn dichtbundeltje heb ik inmiddels een paar keer gelezen, waarbij me opviel dat dat zijn werk moeilijk bij een of andere stroom of richting in te delen was. Behave gedichten stonden er ook stukjes biografie en een sprookje in. En zwartwit foto`s van zijn schilderijtjes. Één kwatrijn bleef me bij:

Achter elk zwijgen ligt een vergezicht
Waarop mijn diepst verlangen blijft gericht.
Spreek het niet uit: Want woorden zijn als wolken
De blauwe horizon waait langzaam dicht.

In 1990 hoorde ik van verscheidene kenissen: ”Zeg die planneman is weer in de stad”.”Wie”, vroeg ik onnozel.”Nou, die planneman.je kent hem wel,die jongen die altij met de NIEUWE WEELDE op sjouw was”.”Oh, Lalleman bedoel je”, zei ik, ”Waar is die nu weer mee bezig?” ”Iets met Russen geloof ik. Ik zie hem `s nachts nog wel eens bij van Kampen en de Wit met een stel buitenlanders. ”Enkele weken later las ik in HET ZUIDEN dat er een Russisch concert in café Dazzle zou plaatsvinden. Ik er naartoe. En ja hoor daar zat Lalleman. Het leek of hij nooit weggeweest was.”Hoe is het met de NIEUWE WEELDE”,vroeg ik.”Moet je een pilsje”, zei hij, ”Ik kom zo bij je maar ik moet nog wat voor die jongens regelen”. Even later kwam hij terug met een stapel consumptiebonnen, een geluidsman en een aantal Russen. Hij drukte me een stapeltje consumptiebonnen in de handen.”Ga jij even een rondje halen”, zei hij en begon een heel verhaal van geluidsman te vertalen in iets wat in mijn oren als Russisch klonk. Toen ik met de pilzen terugkwam stelde hij me aan de Russen voor. Ik kreeg die avond een bijzonder concert te horen.HOUSE op zijn Russisch met een veegje NEW AGE. Op een gegeven moment was iedereen aan het dansen. Het dak ging van de tent. Planneman deed ook mee, waarbij mij opviel dat zijn enthousiasme groter was dan zijn techniek. ”OUDE ARMOEDE”, zei hij toen hij na het dansen weer aan mijn tafeltje kwam zitten.”Wat”, zei ik. ”De NIEUWE WEELDE” is niks meer, teveel schudden bij de drukker”, zei hij, ”Voor mij is het oude armoe”. ”Jammer”, zei ik, ”Het was toch best een mooi blad”. ”Voor New York of Barcelona mischien”, zei hij, ”Maar niet voor Rotterdam”.

In de maanden die volgden zag ik hem regelmatig in de stad. Bij openingen van tentoonstellingen of in een of andere kroeg. Hij stopte me dan elke keer een papier in handen De ene keer moest ik dan met een boot vol dichters de zee op en de andere keer was het weer een uitnodiging voor een Marokkaanse eetkring. Verder zag ik hem vaak in de van Oldebarneveldstraat, in Woutertje Pieterse in Poëzie, waar hij met Robin Adèr en een aantal vaag artistieke figuren in heftige discussies verwikkeld was. Als ik daar langsliep werd ik door de heer Adèr onmiddelijk naar binnen getrokken en op een glas thee vergast. De discussies gingen altijd over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarbij dan opviel hoeveel Planneman wist en gelezen had. Of het nu over IJsland of over Vuurland ging.Planneman was er geweest of wist er een hoop over te vertellen uit boeken die hij gelezen had. Verder vond hij dat er in Woutertje Pieterse een “workshop” moest komen over “doe het zelf” uitgaven. Hij had al een mooie naam bedacht: SAMIZDAT PRESS.

Maanden later verraste hij me met een nieuw boekje, getiteld HEYPLAAT BLIJFT. Hij verkocht me direct een exemplaar met “vriendenkorting” en thuisgekomen bleek het een alleraardigste collage te zijn van geschiedenis, bewonersverhalen en sfeertekeningen. Ik heb het in één ruk uitgelezen,waarbij ik meermalen bleef hangen bij de prachtige oude foto`s die erin stonden.

In die maand zag ik hem ook driemaal op stads-TV. Eenmaal op het torentje van het vrijgezellenhuis op de Heyplaat, samen met een charmante dame die mevrouw Ober bleek te heten en daar bij alle bewonersacties betrokken was, eenmaal in Galerie Dionysus,waar hij samen met enkele Russen uit stond te leggen hoe ze enkele kunstwerken die op weg naar het METROPOLITAN museum in New York waren van boord van een Russisch schip gekregen hadden om in Rotterdam een “surprise” tentoonstelling te houden, en eenmaal in café de Twijfelaar, waar opnamen gemaakt werden van een groep performance artiesten die zich de Comedy Train noemden. Planneman beklom daar het podium om een geïmproviseerde
act weg te geven over het seksleven van madeliefjes. In de kroeg zag ik hem niet meer.Toen ik hem een keer in de bibliotheek aan de Hoofdstraat onmoette, vertelde hij mij dat zijn uitkering bij de Sociale Dienst stopgezet was en vroeg me een kleine lening om zijn weekend door te komen. Hij vertelde daarbij dat hij niet zeker wist wanneer hij die terug kon betalen, daar hij allergisch was voor ambtenaren en de koude rillingen kreeg als hij formulieren moest invullen. Hierop volgde een heel verhaal wat er volgens hem aan de vraagstelling op formulieren allemaal niet deugde. ”Ze dwingen je om te liegen”, zei hij,”want die vragen zijn zo imbeciel”. Ik geloof dat ik maar naar Rusland emigreer, daar heb ik tenminste nog vrienden die nog iets van dichtkunst begrijpen”. En ze hebben daar een nieuw soort Melkweg opgezet in het Planetarium in Leningrad. Alles kan daar nog. Ze zijn daar niet zo blasé en verwend. Het gesprek eindigde ermee dat we een supermarkt binnenliepen, voor een week eten insloegen, en hiermee naar de Grondherenstraat togen, waar hij telefonisch wat vrienden begon uit te nodigen voor een etentje, ze moesten dan wel hun eigen wijn meebrengen. Het werd een heel gezellig avondje, waarbij er een Servische bonensoep op tafel kwam, gevolgd door een spaghettieschotel en wat yoghurt met wat fruit en cruesli, geserveerd op allemaal verschillende borden, die na iedere gang gewassen moesten worden voor de volgende opgediend kon worden. Er werden die avond verder gedichten voorgelezen en er werd muziek gemaakt. Toen de benedenbuurvrouw over de herrie kwan klagen kreeg ze een glas wijn in haar handen gedrukt, waarna ze maar bleef. Op een gegeven moment had ze het zo naar haar zin dat ze nog een paar flessen ging bijhalen. Ik bleef die nacht slapen op de bank, in een kamer samen met nog een Pool en een Amerikaan die me de volgende ochtend koffie op bed bracht. Boven de bank hing een schilderij met enkele wonderlijke tekens op een geel en blauwe achtergrond. ”Wie heeft dat gemaakt”’vroeg ik. “Theo natuurlijk”, zeiden de jongens. Wat stelt het eigenlijk voor? Toen Theo het maakte waren er twee die het wisten, god en hij, en hij is het inmiddels vergeten, kreeg ik te horen.

Onlangs zag ik Theo weer.In de bibliotheek op de derde verdieping bij de Rotterdam afdeling. ”Hoe staan de zaken?”vroeg ik. ”Nog steeds geen geld “,zei hij, ”Ik heb overal schulden. Maar ik kom er wel uit. Ik ben een boek aan het schrijven over afgelopen jaar. KILROY WAS HERE gaat het heten. Verder zit ik hier wat materiaal te verzamelen over Katendrecht. Ik ga met diezelfde jongens van het Heijplaat boek weer een boekje maken , ditmaal over Katendrecht. En je kent Ahmed toch wel ? Die is weer naar Marokko om volksverhalen te verzamelen. Die geven we dan ook uit. Het is trouwens goed dat ik je weer zie. Theo Knoope heeft in de van Cittersstraat een nieuw galerietje opgezet, op 9a ,in een oud winkeltje. Ik ben bezig om daar wat Russen onderdak te krijgen.Vanavond is daar een opening”.

Die avond bleven we natuurlijk in de van Cittersstraat 9a hangen bij de GRIBUS ART MOVEMENT. Op zolder woonden tijdelijk wat Russen, die daar druk aan het schilderen waren.Viktor en Sasha heetten ze , heel bijzondere jongens zo te zien. Theo vertelde dat hij geen normale galerie wilde maar een plek waar dingen gewoon konden gebeuren, zonder al te veel poespas of planning, en waar de kunst eens gewoon eens uit het heilige huisje kon komen, gewoon in een soort huiskamersfeer. Het bijzondere aan de galerie was dat hij alleen `s avonds open was, van donderdag tot en met zondags van 5 tot 11. En dat de kunstenaars die er exposeerden er ook konden wonen en werken zolang de expositie duurde. Ook drukte Theo me een inschrijfformuleer in de hand voor het boek KAAPSE VIOOLTJES. Of ik maar 5 euro wilde betalen. Dan kreeg ik korting op het boek. ”Het wordt een mooi boekje”, zei hij,”mooier dan het Heijplaat boek”. In september komt het uit, met een mooi feest op de Kaap. Als inschrijver krijg je daar automatisch bericht van, en natuurlijk korting op de toegangskaartjes van het feest. Maar ik moet er nu vandoor want ik ben een jaarverslag aan het maken van de stichting Cultures sans Frontières, je weet wel, die stichting waar ik met Ahmed in zit. Als die zaak rond is krijg ik misschien weer een uitkering. Kun je me misschien een tientje lenen? “Dat wil ik wel”, zei ik, “Maar dan moet je me laten interviewen voor Punt Uit. Het word tijd dat die ook eens aandacht besteden aan het fenomeen PLANNEMAN. Dank zij jou gebeurt er af en toe nog iets in dit dorp”.

Theo begon direct te protesteren dat hij geen zin had om oude koeien uit de sloot te halen en dat ik uiteindelijk alles al wist wat hij te vertellen had. Na enig heen en weer gepraat besloten we dat ik over het verleden zou schrijven en hij zelf over de toekomst. Mijn verhaal ligt hier inmiddels voor u. Theo kwam gisteren aanzetten met een lang verhaal over de stichting. Uren bleef hij aan het woord. Na afloop van het verhaal bleek dat we geen bandje in het casettedeck gedaan hadden, en het hele intervieuw overnieuw moest. ”Vergeet het maar”, zei Theo “Ik schrijf het wel een keer op. Dan hebben we weer een mooi boekje. Trouwens, ga je 16 juni nog mee naar Scheveningen? We gaan daar `s middags om 3 uur naar het Gulletje aan de 2e Visserijhaven. Poëzie op Zee. Met de boot de zee op met een aantal dichters, musici en theaterlui. En dan maar zien wat er gebeurt. Een kaartje kost maar 40 gulden. Je krijgt nog wel een schiftelijke uitnodiging. Trouwens, interviewen is toch maar onzin. Heel mijn leven ligt toch al besloten in een kort verhaal wat ik ooit eens geschreven heb. Hier heb je een kopietje. Het heet KILROY WAS HERE. En hier heb je ook nog een verhaal dat in het boek over Katendrecht komt. Kees Breedijk heeft de oude eigenaar van het Walhalla geïnterviewd. Prachtig verhaal. Publiceer daar ook maar een stuk uit”.

En wèg was hij weer, naar een volgende afspraak, naar het volgende plan. Hou hem in de gaten, Rotterdams enige echte PLANNEMAN.

December 1991

Henk Maaskant
MIJNHEER PLANNEMAN.

Het zal het najaar 1986 geweest zijn toen ik ergens in Rotterdam een pilsje zat te drinken. Als ik het me goed herinner was het bij de Oude Haven. Ik werd bij deze aangename bezigheid gestoord door een warrig ogende veertiger met een dromerige blik, die me een felgekleurd, levensgroot (A3) stuk drukwerk in de handen drukte. Aanvankelijk vroeg ik me af of het Leger des Heils soms in de “restyling”gegaan was, maar het bleek zich in dit geval te handelen om iets onhandelbaar cultureels, NIEUWE WEELDE geheten. De vormgevers van het tijdschrift hadden met veel “overlay” en ïnkopiëren de ernst van het redactionele standpunt verdoezeld. Uit een zekere nieuwsgierigheid kocht ik het blad. Thuisgekomen bladerde ik het wat door. Gebeurt er dan toch echt iets in Rotterdam, vroeg ik me af. Volgens de bijgesloten maandagenda wel. Ik heb de maandagenda op mijn WC-deur geplakt en vergat het blad weer. Het paste niet in m`n boekenkast dus maandenlang struikelde ik over dat ding op de meest onverwachte plekken. Op een regenachtige zondagmiddag heb ik me aan de puzzel gewaagd. Iets nieuws, een PROZAGRAM van een zekere Leon E. Thalma. Het ding was hondsmoeilijk maar wel leuk; de samensteller bezat in ieder geval een levendige fantasie. Toen ik het blad wat verder doorbladerde zag ik de naam Leon E Thalma weer terug, ditmaal onder een artikel dat WEERGALM VAN DE WAKE heette. Het handelde zich om het boek FINNEGANS WAKE van James Joyce, een volgens mij totaal onleesbaar boek dat er slechts toe dient om taalgeleerden aan stof voor dissertaties te helpen. Ik begreep weinig van het kennelijk bevlogen proza van de heer Thalma, maar het boeide wel en ik heb het artikel ademloos uitgelezen. Hij beleeft kennelijk een hoop plezier aan zijn eigen hersenspinsels, dacht ik nog.

Maanden later bevond ik mij bij cafë Timmer aan de Oude Binnenweg toen onze colporteur weer binnenkwam en aan iedereen de NIEUWE WEELDE uit begon te delen. Er bleek inmiddels een nieuw nummer uit te zijn en ik zag de meeste stamgasten meesmuilend hun portemonnaie trekken om het toch maar te kopen. Ook ik had weer een exemplaar in handen en toen onze colporteur om geld kwam bood ik hem een pilsje aan en begon hem wat uit te vragen over het tijdschrift. Hij vertelde dat hij Theo Lalleman heette en begon vol enthousiasme te vertellen over alle plannen die hij had om het blad nog mooier te maken. Ook begon hij me uit te vragen of ik ook ooit eens wat geschreven had, en zo ja, zou hij wel zorgen dat het in de volgende NIEUWE WEELDE kwam. Ik hield de boot af door te zeggen dat ik niet zo idealistich aangelegd was en het liefst dik betaald werd.Hierop volgde een heel betoog over het NIET BIJ BROOD ALLEEN in het leven en over de wankele financiële situatie van de stichting. Ik was zo geroerd door de kennelijke oprechtheid van zijn woorden dat ik hem nog maar een pilsje aanbood en een extra nummer van zijn tijdschrift kocht om aan een jarige vriend te cadeau te doen. Het pilsje verdween met veel animo in zijn keelgat en ik vroeg hem wie Leon E. Thalma eigenlijk was, de man die het aandurfde om Joyce te vertalen. Hij glimlachte breed en zei dat hij dat zelf was en dat hij hiervoor een pseudoniem gebruikte omdat de naam Lalleman meer geschikt was voor een serie kroegverhalen. “Schrijf je wel meer”, vroeg ik hem. Onmiddelijk haalde hij een klein wit boekje uit z`n jaszak. “Nu je het zegt , ik heb net in eigen beheer een vriendenboekje uitgegeven, en er staan ook wat gedichten van me in. Het ligt bij van Gennep te koop voor twaalvenhalve piek,maar omdat je me een pilsje gegeven hebt mag je dit exemplaar voor een tientje hebben, ik signeer het dan gelijk voor je. Weerloos haalde ik een tientje tevoorschijn waarop hij direct naar buiten liep om even later met een zak gegrilde kippepootjes terug te komen. Hij bood me er direct een aan en bestelde nog twee pils.”Ik ben blij dat je dat boekje kocht, verzuchtte hij,ik heb vandaag nog niet gegeten en het geld voor de tijdschriften is voor de stichting”.”Hoe heet je eigenlijk?” Toen ik hem vertelde dat ik Henk heette pakte hij het witte boekje dat TIJDLOZE MOMENTEN als titel had, en begon op het titelblad de datum en zijn handtekening neer te pennen. Daaronder schreef hij:”voor Henk. Als paden elkaar kruisen zijn wegen onbelangrijk”. Sindsdien loop ik Theo regelmatig tegen het lijf, waarbij hij iedere keer honderduit vertelde over de allernieuwste plannen. Als het aan Theo lag werd Rotterdam de nieuwe culturele hoofdstad van Europa, leek het wel.

In 1989 was ik hem plots een jaar kwijt. Zijn dichtbundeltje heb ik inmiddels een paar keer gelezen, waarbij me opviel dat dat zijn werk moeilijk bij een of andere stroom of richting in te delen was. Behave gedichten stonden er ook stukjes biografie en een sprookje in. En zwartwit foto`s van zijn schilderijtjes. Één kwatrijn bleef me bij:

Achter elk zwijgen ligt een vergezicht
Waarop mijn diepst verlangen blijft gericht.
Spreek het niet uit: Want woorden zijn als wolken
De blauwe horizon waait langzaam dicht.

In 1990 hoorde ik van verscheidene kenissen: ”Zeg die planneman is weer in de stad”.”Wie”, vroeg ik onnozel.”Nou, die planneman.je kent hem wel,die jongen die altij met de NIEUWE WEELDE op sjouw was”.”Oh, Lalleman bedoel je”, zei ik, ”Waar is die nu weer mee bezig?” ”Iets met Russen geloof ik. Ik zie hem `s nachts nog wel eens bij van Kampen en de Wit met een stel buitenlanders. ”Enkele weken later las ik in HET ZUIDEN dat er een Russisch concert in café Dazzle zou plaatsvinden. Ik er naartoe. En ja hoor daar zat Lalleman. Het leek of hij nooit weggeweest was.”Hoe is het met de NIEUWE WEELDE”,vroeg ik.”Moet je een pilsje”, zei hij, ”Ik kom zo bij je maar ik moet nog wat voor die jongens regelen”. Even later kwam hij terug met een stapel consumptiebonnen, een geluidsman en een aantal Russen. Hij drukte me een stapeltje consumptiebonnen in de handen.”Ga jij even een rondje halen”, zei hij en begon een heel verhaal van geluidsman te vertalen in iets wat in mijn oren als Russisch klonk. Toen ik met de pilzen terugkwam stelde hij me aan de Russen voor. Ik kreeg die avond een bijzonder concert te horen.HOUSE op zijn Russisch met een veegje NEW AGE. Op een gegeven moment was iedereen aan het dansen. Het dak ging van de tent. Planneman deed ook mee, waarbij mij opviel dat zijn enthousiasme groter was dan zijn techniek. ”OUDE ARMOEDE”, zei hij toen hij na het dansen weer aan mijn tafeltje kwam zitten.”Wat”, zei ik. ”De NIEUWE WEELDE” is niks meer, teveel schudden bij de drukker”, zei hij, ”Voor mij is het oude armoe”. ”Jammer”, zei ik, ”Het was toch best een mooi blad”. ”Voor New York of Barcelona mischien”, zei hij, ”Maar niet voor Rotterdam”.

In de maanden die volgden zag ik hem regelmatig in de stad. Bij openingen van tentoonstellingen of in een of andere kroeg. Hij stopte me dan elke keer een papier in handen De ene keer moest ik dan met een boot vol dichters de zee op en de andere keer was het weer een uitnodiging voor een Marokkaanse eetkring. Verder zag ik hem vaak in de van Oldebarneveldstraat, in Woutertje Pieterse in Poëzie, waar hij met Robin Adèr en een aantal vaag artistieke figuren in heftige discussies verwikkeld was. Als ik daar langsliep werd ik door de heer Adèr onmiddelijk naar binnen getrokken en op een glas thee vergast. De discussies gingen altijd over de meest uiteenlopende onderwerpen, waarbij dan opviel hoeveel Planneman wist en gelezen had. Of het nu over IJsland of over Vuurland ging.Planneman was er geweest of wist er een hoop over te vertellen uit boeken die hij gelezen had. Verder vond hij dat er in Woutertje Pieterse een “workshop” moest komen over “doe het zelf” uitgaven. Hij had al een mooie naam bedacht: SAMIZDAT PRESS.

Maanden later verraste hij me met een nieuw boekje, getiteld HEYPLAAT BLIJFT. Hij verkocht me direct een exemplaar met “vriendenkorting” en thuisgekomen bleek het een alleraardigste collage te zijn van geschiedenis, bewonersverhalen en sfeertekeningen. Ik heb het in één ruk uitgelezen,waarbij ik meermalen bleef hangen bij de prachtige oude foto`s die erin stonden.

In die maand zag ik hem ook driemaal op stads-TV. Eenmaal op het torentje van het vrijgezellenhuis op de Heyplaat, samen met een charmante dame die mevrouw Ober bleek te heten en daar bij alle bewonersacties betrokken was, eenmaal in Galerie Dionysus,waar hij samen met enkele Russen uit stond te leggen hoe ze enkele kunstwerken die op weg naar het METROPOLITAN museum in New York waren van boord van een Russisch schip gekregen hadden om in Rotterdam een “surprise” tentoonstelling te houden, en eenmaal in café de Twijfelaar, waar opnamen gemaakt werden van een groep performance artiesten die zich de Comedy Train noemden. Planneman beklom daar het podium om een geïmproviseerde
act weg te geven over het seksleven van madeliefjes. In de kroeg zag ik hem niet meer.Toen ik hem een keer in de bibliotheek aan de Hoofdstraat onmoette, vertelde hij mij dat zijn uitkering bij de Sociale Dienst stopgezet was en vroeg me een kleine lening om zijn weekend door te komen. Hij vertelde daarbij dat hij niet zeker wist wanneer hij die terug kon betalen, daar hij allergisch was voor ambtenaren en de koude rillingen kreeg als hij formulieren moest invullen. Hierop volgde een heel verhaal wat er volgens hem aan de vraagstelling op formulieren allemaal niet deugde. ”Ze dwingen je om te liegen”, zei hij,”want die vragen zijn zo imbeciel”. Ik geloof dat ik maar naar Rusland emigreer, daar heb ik tenminste nog vrienden die nog iets van dichtkunst begrijpen”. En ze hebben daar een nieuw soort Melkweg opgezet in het Planetarium in Leningrad. Alles kan daar nog. Ze zijn daar niet zo blasé en verwend. Het gesprek eindigde ermee dat we een supermarkt binnenliepen, voor een week eten insloegen, en hiermee naar de Grondherenstraat togen, waar hij telefonisch wat vrienden begon uit te nodigen voor een etentje, ze moesten dan wel hun eigen wijn meebrengen. Het werd een heel gezellig avondje, waarbij er een Servische bonensoep op tafel kwam, gevolgd door een spaghettieschotel en wat yoghurt met wat fruit en cruesli, geserveerd op allemaal verschillende borden, die na iedere gang gewassen moesten worden voor de volgende opgediend kon worden. Er werden die avond verder gedichten voorgelezen en er werd muziek gemaakt. Toen de benedenbuurvrouw over de herrie kwan klagen kreeg ze een glas wijn in haar handen gedrukt, waarna ze maar bleef. Op een gegeven moment had ze het zo naar haar zin dat ze nog een paar flessen ging bijhalen. Ik bleef die nacht slapen op de bank, in een kamer samen met nog een Pool en een Amerikaan die me de volgende ochtend koffie op bed bracht. Boven de bank hing een schilderij met enkele wonderlijke tekens op een geel en blauwe achtergrond. ”Wie heeft dat gemaakt”’vroeg ik. “Theo natuurlijk”, zeiden de jongens. Wat stelt het eigenlijk voor? Toen Theo het maakte waren er twee die het wisten, god en hij, en hij is het inmiddels vergeten, kreeg ik te horen.

Onlangs zag ik Theo weer.In de bibliotheek op de derde verdieping bij de Rotterdam afdeling. ”Hoe staan de zaken?”vroeg ik. ”Nog steeds geen geld “,zei hij, ”Ik heb overal schulden. Maar ik kom er wel uit. Ik ben een boek aan het schrijven over afgelopen jaar. KILROY WAS HERE gaat het heten. Verder zit ik hier wat materiaal te verzamelen over Katendrecht. Ik ga met diezelfde jongens van het Heijplaat boek weer een boekje maken , ditmaal over Katendrecht. En je kent Ahmed toch wel ? Die is weer naar Marokko om volksverhalen te verzamelen. Die geven we dan ook uit. Het is trouwens goed dat ik je weer zie. Theo Knoope heeft in de van Cittersstraat een nieuw galerietje opgezet, op 9a ,in een oud winkeltje. Ik ben bezig om daar wat Russen onderdak te krijgen.Vanavond is daar een opening”.

Die avond bleven we natuurlijk in de van Cittersstraat 9a hangen bij de GRIBUS ART MOVEMENT. Op zolder woonden tijdelijk wat Russen, die daar druk aan het schilderen waren.Viktor en Sasha heetten ze , heel bijzondere jongens zo te zien. Theo vertelde dat hij geen normale galerie wilde maar een plek waar dingen gewoon konden gebeuren, zonder al te veel poespas of planning, en waar de kunst eens gewoon eens uit het heilige huisje kon komen, gewoon in een soort huiskamersfeer. Het bijzondere aan de galerie was dat hij alleen `s avonds open was, van donderdag tot en met zondags van 5 tot 11. En dat de kunstenaars die er exposeerden er ook konden wonen en werken zolang de expositie duurde. Ook drukte Theo me een inschrijfformuleer in de hand voor het boek KAAPSE VIOOLTJES. Of ik maar 5 euro wilde betalen. Dan kreeg ik korting op het boek. ”Het wordt een mooi boekje”, zei hij,”mooier dan het Heijplaat boek”. In september komt het uit, met een mooi feest op de Kaap. Als inschrijver krijg je daar automatisch bericht van, en natuurlijk korting op de toegangskaartjes van het feest. Maar ik moet er nu vandoor want ik ben een jaarverslag aan het maken van de stichting Cultures sans Frontières, je weet wel, die stichting waar ik met Ahmed in zit. Als die zaak rond is krijg ik misschien weer een uitkering. Kun je me misschien een tientje lenen? “Dat wil ik wel”, zei ik, “Maar dan moet je me laten interviewen voor Punt Uit. Het word tijd dat die ook eens aandacht besteden aan het fenomeen PLANNEMAN. Dank zij jou gebeurt er af en toe nog iets in dit dorp”.

Theo begon direct te protesteren dat hij geen zin had om oude koeien uit de sloot te halen en dat ik uiteindelijk alles al wist wat hij te vertellen had. Na enig heen en weer gepraat besloten we dat ik over het verleden zou schrijven en hij zelf over de toekomst. Mijn verhaal ligt hier inmiddels voor u. Theo kwam gisteren aanzetten met een lang verhaal over de stichting. Uren bleef hij aan het woord. Na afloop van het verhaal bleek dat we geen bandje in het casettedeck gedaan hadden, en het hele intervieuw overnieuw moest. ”Vergeet het maar”, zei Theo “Ik schrijf het wel een keer op. Dan hebben we weer een mooi boekje. Trouwens, ga je 16 juni nog mee naar Scheveningen? We gaan daar `s middags om 3 uur naar het Gulletje aan de 2e Visserijhaven. Poëzie op Zee. Met de boot de zee op met een aantal dichters, musici en theaterlui. En dan maar zien wat er gebeurt. Een kaartje kost maar 40 gulden. Je krijgt nog wel een schiftelijke uitnodiging. Trouwens, interviewen is toch maar onzin. Heel mijn leven ligt toch al besloten in een kort verhaal wat ik ooit eens geschreven heb. Hier heb je een kopietje. Het heet KILROY WAS HERE. En hier heb je ook nog een verhaal dat in het boek over Katendrecht komt. Kees Breedijk heeft de oude eigenaar van het Walhalla geïnterviewd. Prachtig verhaal. Publiceer daar ook maar een stuk uit”.

En wèg was hij weer, naar een volgende afspraak, naar het volgende plan. Hou hem in de gaten, Rotterdams enige echte PLANNEMAN.

December 1991

Henk Maaskant

0 Comments:

Post a Comment

<< Home